De Auck-Doniastrjitte

De Auck-Doniastrjitte dankt haar naam aan één van de laatste priorinnen van het vrouwenklooster Sion aan de Singel te Niawier. Auck Donia was in 1528 met meerdere nonnen van ook vaak adellijke komaf, medebewoonster van Sion.Veelal traden dames uit adellijke en vermogende families, met een bruidsschat toe, voor een plek in de kloostergemeenschap. Daar het klooster Sion ruim 400 jaar lang zo’n belangrijke plek vervulde in onze dorpsgemeenschappen, werden bij de officiële straatnaamgeving deze namen vernoemd. Voor die tijd was het sinds mensenheugenis de Achterwei, Efterwei of Achterweg. De bebouwing aan de zuidkant wordt sterk bepaald door de drie grote schuren van de voormalige boerderijen. Verder is aan de zuidkant een dubbele woning afgebroken, met het jaartal 1813 op het erf van Harry en Anke de Jong. Een echt en eigen gebouwd jeugdhonk staat momenteel op deze plek. Verdere bebouwing is aangepast aan de huidige gestelde wooneisen, Aan de noordkant vinden wij naast het z.g.n. lytshús en voormalig mestopslagplaats van de familie Kingma, de vier twee-onder één-kap woningen. Op deze plek hebben twee boerderijen gestaan. De eerste stond vlak op en in het verlengde van de bestaande weg. Deze is in 1876 afgebroken met het oog op verbreding van de weg. Er kwam toen een nieuwe balsteen bestrating, met diverse aanpassingen naar de vaartswalopslag. In die tijd een heel belangrijke aan- en afvoerplaats voor goederen en landbouwproducten. Een nieuw gebouwde boerderij kwam hiervoor in de plaats, verder op het terrein, met de achterkant van de schuur naar de weg. De familie Hendrik de Wind waren de laatste bewoners en na de afbraak in 1972 werden de huidige woningen gebouwd. Van de eerdere bebouwing aan de noordkant is alleen de woning van Durk en Jacky Gardenier nog dezelfde, zij het met diverse verbouwingen en moderniseringen. De andere woningen aan de noordkant zijn allemaal opnieuw gebouwd op de plekken die al eeuwen bewoond moeten zijn geweest. Deze woningen en hun bewoners hopen wij nog eens in een vervolgbijdrage te kunnen bespreken. Aangenomen mag worden dat dezen heel lang deel uit hebben gemaakt van de oudste bewoning van het dorp. Van de twee paden die de verbinding vormen met het Linepaad en het Tsjerkepaad heeft alleen de Grutte Stege een naam gekregen. Vermeldenswaard is zeker dat de bestaande weg naar het dorp Metslawier, de Mearswei, pas in 1876 officieel is aangelegd. Hiervoor liep deze tot halverwege, met verder een voetpad door de landerijen. De Grientereed, of Griene wei was eeuwenlang de officiële weg naar Metslawier. Die liep over de Ropta en ontsloot de landerijen. Ook was er over de doorgaande tochtsloot in de Grientereed een houten brug, om naast een goede waterbeheersing ook zo mogelijk landbouwproducten te kunnen afvoeren als de wegen in de herfst onbegaanbaar waren. De bestaande brug is later vervangen door een duiker. Met de komst van een nieuw rioleringssysteem in 1974 is de bestrating van de Auck-Doniastrjitte vernieuwd en is er een trottoir aangelegd. Een geweldige verbetering. De bewoners van de Auck-Doniastrjitte mogen zich er in verheugen te wonen aan een belangrijke weg in het dorp, die de naam van meer dan 400 jaar kloostergeschiedenis levendig houdt.


Auck Doniastrjitte 5

In het huis met nummer 5 wonen Frans Flaton en Ien Westeijn. Zij zijn hier komen wonen in mei 2000 vanuit ’s Gravanzande. Hun  wens om in Friesland een woning te kunnen vinden met de mogelijkheid tot bijbouw van een flinke garage kon in Niawier gerealiseerd worden. Met veel zelfwerkzaamheid en hulp van anderen is er veel gebouwd en vernieuwd de afgelopen jaren. De geschiedenis van het terrein en de woning zelf is een interessant onderzoek waard. Het gehele terrein was tot voor ongeveer 1945 bestemd en bebouwd met drie woningen waarbij het huidige pand Auck Doniastrjitte al  jaren een bedrijfsfunctie had als timmermanswerkplaats. Een kadastrale kaart van 1832 vermeld twee kadastrale nummers, n.l. B773 en B772 met als huisnummers 31 en 32. Sedert ongeveer 1880 kwam hier nog een woning bij, die toen nummer 83 had, groot 25 ca. Alleen de woning Auck Donistrjitte 5 welke hier besproken wordt heeft met nieuwe straatnaamgeving in 1973 van nummer I.119 het huidige nummer 5 gekregen, met als nieuw kadastraal nummer sectie E 1027-1026. De andere woning nummer 31 die langs het Tsjerkepaad stond werd jarenlang bewoond door Pieter Lolkes de Vries en de schoenmakersfamilies Franciscus Frans Erich en Wouter Franciscus Erich, die gehuwd was met Barbera Kienstra van 1822 tot 1912. Wij komen hierna de namen tegen van diverse eigenaren, met die van de naast gelegen woning nummer 83. Deze families waren Jan Pieter Vriesema 1913, Anna v.d. Ploeg 1919, Jan Braaksma 1921, Haaie Minnema en wed. Renske Minnema com suis. De familie Otto Minnema heeft hier ook nog een aantal jaren gewoond. Na nog een aantal huurders zijn de woningen als berging gekocht en gebruikt door het naastgelegen timmerbedrijf. Wij zullen ons verder dienen te bepalen tot de huidige woning van de familie Flaton-Westeijn. Het nieuwe gedeelte ervoor is er rond 1928 bij gebouwd door de eigenaar timmerman Auke Theunis Faber. Zoals reeds eerder genoemd kent de woning met werkplaats een lange geschiedenis als timmermanswerkplaats. Volgens de eerste speciekohieren (die dienden voor belastingheffing) van 1749 woonde hier toen Jan Thymens, timmerman. Timmerlieden en smeden waren vroeger als vaklieden aanwezig in de dorpen. Bijna elk dorp had deze voorzieningen dicht bij huis en bij de hand. In 1760 was het Haike Thymens, daarna in 1774 Jan Pytters. Van Foeke Wiggers wordt vermeldt dat hij in ’s lands dienst gaat in 1780. In 1782 en in 1784 zijn het Harm Doekes en Jan Botes weduwe die het huis bewonen. Vanaf 1794 woont hier Pieter Daniëls, die in 1811 de familienaam Wiersma aanneemt. Volgens de verslagen van kerkelijke rekeningen en de dorpsboekhouding zijn er later meestal twee timmerbedrijven in Niawier. In 1818 zijn dat Reinder Th. Bouwman en Thijs Joh. Feenstra. Men maakte allerlei materialen ter plaatse, ook alle boerengereedschap. Een bevolkingsverslag uit 1825 vermeldt, dat Andries Hiemstra, voerman van beroep met zijn vrouw Grietje Jans Veenema, Dirk Lieuwes Kloostra en Jeppe Fokke Kuzema als ‘dienstknegt wonen in het huis no. 32’.Rond 1832 komen wij ook de familie Jan Jacob Jansma nog tegen als dorpstimmerman. Dan, kort daarna is het de timmerman Freek Dirks Slagman, tot het jaar 1850. Daarna is het timmerbaas Age Ages de Jong. Weer enkele jaren daarna is Louw Haaies Minnema eigenaar en bewoner van het pand nummer 32. Totdat in 1860 het weer timmerman Slagman is, maar nu de zoon Dirk Frederiks Slagman, met Jille Klazes Westra. Dit heeft geduurd tot 1924, want dan is de nieuwe eigenaar Auke Theunis Faber, die het bedrijf overneemt en voortzet. In het jaar 1960 werd Jan MaartenszWouda de nieuwe ondernemer, die in de loop van de jaren de nieuwe loods, nu van de familie Hamstra, gebouwd heeft, gedeeltelijk op de plek van de eerder afgebroken woningen. Bij opheffing van het bedrijf en het vertrek van de familie Wouda is de woning door meerdere families bewoond geweest. De familie Willemsen, de familie Russum, de Wit en Blom en vanaf 1994 Maria Johanna Petronella Gevers. De voorlaatste bewoonster, mevr. Gevers, verkocht het huis en erf zonder de reeds eerder vermelde loods aan de huidige bewoners Flaton-Westeijn, die er naar eigen zeggen een goede stek hebben gevonden. Het is bekend dat de oudste bewoning in de meeste dorpen rond of bij de eerste kerken waren gesitueerd. De geschiedenis van de bewoning van het pand Auck Doniastrjitte 5 en de bebouwing rondom bevestigd dit. De vele wijzigingen door de eeuwen heen, van kadastrale perceelsnummers en een vier keer wijzigen van het huisnummer, maakt het soms lastig de juiste lijn te blijven volgen. Voor het in beeld brengen van de bebouwing en de bewonersgeschiedenis van onze dorpen zal het een documentive waarde hebben en houden.

 

Auck Doniastrjitte 7

De woning van Sas [1952] en Fokje [1955] Kingma – Hiemstra is mede door de vele verbouwingen van de laatste jaren, een goede plek om te wonen. Met de bijruimten en de inpandige serre, die uitkomt in hun grote tuin, is het een plezierig huis om in te wonen. Ook hun beider grote hobby, het houden en fokken van honden, past uitstekend bij hun woning met de ruime tuin. De wettig geregistreerde kennelnaam ‘Roptahof’ heeft al heel wat jonge herdershonden afgeleverd aan de vele liefhebbers van dit ras.
Sas is geboren in het terpdorp Janum, vanwaar de familie Kingma later verhuisde naar de stad Dokkum. Fokje is geboren in Wijnjeterp, het tegenwoordige Wynjewoude in de gemeente Opsterland. Sas en Fokje zijn in 1975 getrouwd en hebben eerst ruim 5 jaar in Dokkum gewond waar ook hun beide kinderen Paul [1976] en Sandra [1978] geboren zijn. Sas is in 1967 in dienst getreden bij het metaalverwerkingsbedrijf Prins N.V. en dat is dit jaar al weer 36 jaar geleden. Fokje werkt drie ’s morgens in de week bij de thuiszorg Noord-Oost Friesland. In het jaar 1981 hebben Sas en Fokje hun huis in Niawier gekocht van chauffeur Renze Boersma en Fokje van Assen. Hiervoor woonden sinds 1961 Hinne en Sijke Boersma op deze plek. Hij had hier een petroleumhandel met het huisnummer I 118. Daarvoor waren het Sjoerd Pieter Heeringa en zijn vrouw Heabeltje Seepma, die als schrijfster vele Fryske boeken heeft geschreven. Dezen waren Hielke Soepboer en zijn vrouw opgevolgd als bewoners van het huis, die vanaf 1951 als koopman, petroleumventer en klompenhandel te boek stond. Evenals hun voorgangers Auke Hiemstra en zijn vrouw, die vanaf 1948  deze nering aan huis hadden en daar toen ook woonden. Hier weer voor waren het Tjipke Baukes van der Ploeg en Maaike Minnema, wed. die met Douwe Bouwes Dijkma eigenaar waren. Het blijkt dat de huidige woning op deze plaats is gebouwd in het jaar 1918 en had als huisnummer I 42. Dit was voor rekening van Meindert Isaäc Buwalda en zijn vrouw Hitje Talsma.
Meindert Buwalda was ook één van de oprichters van de Niawierster busonderneming, samen met Johannes Iedema. Ook werd er al spoedig een vrachtauto aangeschaft zodat er in het jaar 1920 een flinke schuur naast gebouwd is voor stalling. De woning zelf is gebouwd met veel sloopmateriaal, zo wordt er vertelt, met het afbraakmateriaal van de woning en boerderij die tegen of vlakbij het Tsjerkepaad was gebouwd. Het blijkt dat het vorige huis met schuur een hele lange geschiedenis heeft gekend. Vanaf 1878 hebben Hielke Jaspers Hoekstra en zijn vrouw Heabeltje Anne Kusema hier het gardeniersbedrijf uitgeoefend. Heel lang hebben de families Pier Eneüs Rijpma en Willem Former’s Wiersma, die gehuwd was met Japke P. Rijpma de boerderij in hun bezit gehad, mogelijk had dit te maken met het feit dat het perceel een floreenkohier  nummer had, vanouds een belangrijk gegeven vanwege het stemrecht dat hier aan verbonden was. In het jaar 1853 was het huisnummer 30, kadastraal bekend als B 774, terwijl de bewoner als Doede H. de Wendt wordt vermeld. Dan begint verder in de tijd een interessant gegeven want het blijkt dat de boerderij tot 1795 als pastorieboerderij heeft gefungeerd, met als toevoeging en plaatsduiding, ten zuiden de weg en ten noorden het kerckepad, ten westen en ten oosten de buren, met name genoemd. Tot die jaren was dit nummer 13, één van de 21 stemhebbende boerderijen van Niawier. In 1798 wordt er vermeld: ‘door vercoop de landerijen in stukken vercogt zijn’. Bij de scheiding van kerk en staat rond 1800 werd er veel kerkelijk bezit verkocht en aangewend voor verbouwing en verfraaiing van het kerkgebouw. Onder andere de aanschaf van een kerkorgel om hierdoor een hoge belastingheffing te ontlopen wegens bezit van landerijen.
Een tiental kopers worden met naam en het aantal gekochte pondematen vermeld. Tot die tijd werd de huuropbrengst van de pastorij goed gebruikt met de huur van den Armenvenne 39 en 14 pondemaat voor kerkelijke zaken, zoals predikanstractementen en diaconale gelden. Niawier heeft ook predikanten in de pastorij gehad maar door de combinatie met Metslawier werd daar een nieuwe pastorie gebouwd, zodat de gezamenlijke predikant daar zijn standplaats had. Opmerkelijk is, dat een rij van 11 predikanten, van1628 tot1798 genoemd worden als eigenaar gebruiker. Dit waren in 1580 de oudepastoir Peter Saexds. Gijbert Fonteinds. Henricus Beckeriusds. Rinzo van Rijpema, gebruiker Theodorus Cransds. Petrus Crans, zoon van, gebruiker  ds. P. Cransds. Joh. Bruiningds. Joh. Schiriniusdan ds. Joh. Jacobus Florissen die meer dan 20 jaar eigenaar en gebruiker van de zathe groot 39 pondemaat van de pastorij is geweest. In de specie- en reëlkohieren, vanaf 1720 – 1801 waren er losse pachters op de boerderij, waarvan er een 13 tal worden genoemd. In 1740 wordt er van Hendrik Freerksvermeld: ‘hij schiet hier 3 florenen’, wegens gebruik van de zathe. Met de komst van de reformatie in 1580 werd de combinatie geestelijke en landgebruiker meer en meer verlaten. Voordien was het niet ongebruikelijk dat de pastoor naast zijn geestelijke verplichtingen in school en kerk ook in het landbouwbedrijf zijn bezigheden had. Voor 1580 worden in het Register van Aanbreng ook nog Jacob Hettes en Sidts Sibrandtz genoemd, waarbij aangetekend wordt: ‘Dese vorss landen sindt versettet tot viff jaren, lanck darvan ’t pastoriehuis en ’t gestoelte in de kerkck gerepareert sijn’. Een deel van de jaarlijkse huuropbrengst werd met naam als bestemmingsreserve aangemerkt. In het oudste geschrift, Register van Aanbreng van 1511 wordt er gesproken ‘ dat den pastoer syn posses [deel] is xxx1x pondematen. Hjir van Gerke Pibesz 1 florijn summa’. In de nog schaarse overgebleven archieven van het Clooster Sion blijkt, dat het pastorijgoed een onderdeel vormde van het kloosterbezit en dat ‘de pastoir plechte gesettet is [benoemd] twee wagens torfls [turf] jars uit de kelnerie en oick in de twee weke dree dage cost en de beer [bier] uit tselve convent sal bekomen’. De conclusie mag zijn dat de mogelijk meer dan 600 jaar bewoning van het dorp op deze plek rond de oude dorpskerk, met de geestelijkheid in haar nabijheid daarvan het hart vormde.
(Bronnen: Archieven aanwezig op het streekarchivariaat Noord-Oost Friesland te Dokkum, met dank aan de hulp van de aanwezige medewerkers)

 

Jan Walda

Copyright © Jan Walda.

Bron: Publicatie in “Doarpskrante fan Nijewier – Wetsens”

Auck Doniastrjitte